Door het wildplukken van mijn eigen voedsel (tuin, moestuin of natuur) voel ik me verbonden met mijn omgeving. Ik waardeer de waardevolle sprokkelplekken waar hazelnoten, walnoten, appels en goede rozebottels te vinden zijn. Ik weet de goede plekken in mijn omgeving voor brandhout, brandnetels, zevenblad. Zo moeten mijn verre voorouders ook naar het landschap gekeken hebben.

Ik voel me ook verbonden met de tijd. Ik sprokkel geen aardbeien met kerstmis en geen walnoten met pasen. Ik ben me bewust van de seizoenen en pas mijn bezigheden en voedsel erop aan. Ik waardeer de eerste scheuten en stengels in april, pluk bladeren in mei, geniet van bloemen in juni, droog kruiden in juli, maak jam in augustus, raap daarna noten en na de novemberstormen brandhout. Zo’n soort jaarindeling moeten mijn verre voorouders ook hebben gehad.

Werkelijk duurzaam leven kan alleen vanuit verbondenheid met tijd en ruimte. Duurzaam leven leer ik niet als ik door het glas naar buiten kijk, lezend in een boek of tijdschrift vol nuttige tips. Duurzaam leven gaat niet alleen over het compenseren van mijn CO2 uitstoot van een vliegvakantie, om het kopen van biologische kleding met een blauwe knoop, over groene energie.

Duurzaam leven gaat over de planeet en het stukje daarvan wat ik me toeeigen, mijn mondiale voetafdruk. De enige manier om vol te houden om niet te ver buiten de grenzen te gaan van het minuscule stukje dat mij toebehoort, is om van mijn stukje te genieten.  Te genieten van wat de planeet me geeft.

Hoe? Heel veel tips in mijn boek Sprokkelen