Vanmorgen had ik ochtendshift dus moest ik vroeg op.  Om om 8 uur op mijn werk te zijn, moet ik om half zeven op mijn fiets zitten. En dat vind ik veel te vroeg. Ontbijten in het donker vind ik verschrikkelijk. De krant lag al in de bus: pluim voor de krantenbezorger.

Het eerste deel van de tocht fiets ik over een weg waar geen autos kunnen komen. Het was donker en stil en ik genoot. Bij een felverlichte papierfabriek kom ik op de provinciale weg. Een eindeloze rij autos reed me langzaam voortsjokkend tegemoet. File, op maandagochtend om kwart voor zeven, wat een ellendig begin van de werkweek moet dat zijn.

Het liefst word ik wakker zonder wekker, lekker in mijn eigen ritme. Ik weet dat je overal aan kunt wennen: ik ben jaren vroeg opgestaan en dan vond ik uitslapen tot half acht in het weekend al een luxe, ook in de winter. Maar toch, de vroege bewoners van dit natte kikkerland met hun terpen, hunebedden en grafheuvels: ze werden wakker van het licht neem ik aan, en gingen naar bed als het donker werd of na de laatste verhalen bij het vuur. In de winter sliepen ze langer dan in de zomer; het klinkt mij zo logisch.

File op maandagmorgen is heel gewoon. Maar is dat ons ideaal van de vooruitgang? Vroeg moeten opstaan in de winter vindt toch iedereen een verschrikking? Als ons leven echt zoveel beter is vergeleken met onze voorouders, dan zouden we toch juist steeds langer in bed mogen liggen, zeker in de winter.

Inmiddels is het 9 uur. Ik heb 22 km gefietst, heb 2 kopjes koffie op en zit lekker achter mijn computer. De e-mails zijn opgeschoond, het nieuws is gelezen, tijd voor dit blogje. Vroeg opstaan heeft toch ook wel voordelen: vanmiddag lekker terugfietsen en dan vrij.