Drie kisten met Bionicles heb ik vanmorgen meegegeven aan een verzamelaar. Hij was er zoo blij mee, dat ik dat ook maar ben.

Bionicles, wat heeft Zoon2 daar uren en uren en uren mee gespeeld. Maar Zoon2 woont op kamers, en de Bionicles staan bij mij. Drie fruitkisten vol; ze staan niet in de weg, op die plek onder het schuine dak op zolder kan niets anders staan. Nu is er een lege plek, en dat blijft een lege plek. Nutteloze ruimte.

Dus waarom moesten ze toch weg? Waarom niet wachten op kleinkinderen, die dan ook nog zo’n 8 jaar door moeten groeien EN die van Bionicles moeten houden. Hoe groot is de kans dat ik nog een keer blij naar een kind spelend met Bionicles kan kijken?

In de kerstvakantie had ik met Zoon2 alle losse stukjes uitgezocht en weer tot 48 prachtige vechtpoppen in elkaar geknutseld. Daarna alles in de originele bussen gestopt, de rest in ijsbakjes, en in drie kisten weggeborgen op zolder.

 Mijmeringen, herinneringen aan gouden tijden met mijn gezin met drie zoons in Zuid-Amerika en Afrika. Die tijd komt niet terug, het leven van Zoons gaat verder, en hun jeugd staat bij mij.

Ik wil verder, en dit is ballast. Ik kan niet naar mijn droomhuis, dat heeel klein is met een zonnig grasveld eromheen, verhuizen met de kinderspullen van Zoons. Want je snapt wel dat er meer kisten staan: met Znap, Lego, Knex, Lego-StarWars, en heel veel kinderboeken.

De herinnering zit niet in de spullen, de herinnering zit in mijn hoofd. De spullen vormen een ballast om verder te gaan.

Verkopen dus, aan een verzamelaar die er superblij mee is. De beste plek, beter dan naast de kattenbak achter de koelkast op zolder. Toch heb ik een knoop in mijn maag. Raar?