Dertien dagen geleden schreef ik over mijn poging deze zomer te leven met de zon. Vroeg op en vroeg naar bed dus. Niet gewoontegetrouw op lichtknopjes drukken. Immers, het is fantastisch mooi dat we kunstlicht hebben, maar zolang de energie daarvoor nog niet 100% hernieuwbaar is, gebruiken we dat alleen voor nood. Althans, dat is het doel. Net zoals ik op mijn fiets stap als ik ergens heen wil, een trui aandoe als ik het koud krijg, zo kan ik ook gaan slapen als het donker wordt. Zeker in de zomer wanneer het hoogstens 6 uur echt donker is, wat doe ik dan nog met kunstlicht. Uit die hap. Gewoon mijn slaap plannen in de 6 uur donkerte en daar een beetje omheen. Alles voor mijn kleinkinderen toch?

Mijn wc heeft een raam die uitkomt op de keuken (nee, dat kan niet open, de ventilatie zit in de schoorsteen), en zonder kunstlicht is het daar binnen altijd een beetje schemerig. Waarom moet ik in het volle licht zitten? Lekker mijmeren in het halfduister.

Maar ik ben een gewoontedier. Dus elke keer weer trek ik aan de schakelaar (ja, heel ouderwets, in de slaapkamer van je oma zit zoiets boven haar bed; aan de doortrekker zit ook een trekkoord en nieuwe gasten trekken regelmatig aan het verkeerde koord). O ja, het licht zou ik uit laten en ik trek het weer uit. En dan, als ik klaar ben, trek ik weer aan het koord om het licht uit te doen. O ja, dat was al uit, nu is het weer aan, dus trek ik voor de vierde keer om het licht weer uit te doen. En dat nu al dertien dagen….