Er scharrelt een zwerver in de stad. Ik ken hem niet, volgens mij is hij hier voor het eerst. Amsterdammers kunnen vast niet begrijpen dat ik dit zeg, maar volgens mij ken ik alle zwervers hier in Wageningen, de meesten bij naam en enkelen alleen van gezicht. Maar deze man niet.

Hij heeft zijn fiets volhangen met blauwe plastic zakken. Die op de achterkant verraadt een gitaarkist. Verder zie ik een groene slaapzak. Het lijkt of hij zijn hele bezit meevoert.

Ik heb altijd moeite met zwervers. Eens zijn ook zij kleine kinderen geweest, van wie gehouden werd door hun Moeder. Ze hebben op straat gespeeld, zijn naar school geweest en daarna is het ergens misgegaan. Het kan met iedereen misgaan.

Ik heb drie Zoons en die kennen me. Van  het zien van een zwerver word ik emotioneel. Ik vertel hen dat ze altijd welkom blijven, wat er ook gebeurt in hun leven. Dat ze altijd terug kunnen komen, welke fouten ze ook gemaakt hebben. Hoe verwaarloosd en uitgekotst ze zich ook voelen, ik blijf hun Moeder en houd van ze.

Ik hoop dat het goed met hen blijft gaan. Dat ze niet zoals deze man moeten rondfietsen op zoek naar een plek om de slaapzak neer te leggen. Nagestaard door mensen van wie niemand aanbiedt dat hij kan komen douchen en logeren. Nee ik bied dat ook niet aan. Want hij zal wel vies zijn en stinken. En misschien is hij helemaal niet leuk, misschien is hij een vervelende zuurpruim. Maar misschien ook niet en heeft hij tientallen boeiende verhalen te vertellen.

Ik neem de gok niet, ontloop hem, vraag niet waarheen hij op weg is en of ik hem kan helpen. Maar ik word er wel triest van.