Deel acht in de serie over hoe mijn leven in De Tropen mij definitief veranderd heeft. Nu over oorlog en vluchtelingen.

Ik heb drie jaar in Angola gewoond en gewerkt, en dat was toen een oorlogsland. Een gore oorlog met een miljoen doden die tientallen jaren heeft geduurd. Ik werkte voor Care en mijn taak was om vluchtelingenkampen van drinkwater te voorzien. Ik schat dat in die kampen in mijn gebied 500.000 Angolese vluchtelingen woonden.

De herinneringen schieten weer door me heen. Zo snel kan ik niet typen hoor. En dit wordt lastig, want ik heb hier een trauma aan overgehouden, dus dan begin ik te zweten en trillen en dan is de fijne dag voorbij.

Herinneringen aan een kapotgeschoten stadje met 240.000 vluchtelingen, vooral vrouwen en kinderen, zonder enige steun, bijstand, uitkering, basisinkomen. Geen mogelijkheid tot moestuintje of bedrijfje. En in diezelfde plaats een tientalduizend militairen die de waterkrachtcentrale verdedigden, vooral mannen ja. Waar zouden die vrouwen van leven?

Herinneringen aan een boom met lange takken en veel schaduw waaronder een paar honderd vluchtelingen zich verzameld hadden. Ze hadden de overkant bereikt, langs mijnenvelden en door ongastvrije bossen. Ze hadden onderweg familieleden verloren, maar zij hadden het gehaald. Moeders zaten te zitten. Kinderen keken met lege ogen voor zich uit. Ik zorg dat er vrachtwagens met water heen en weer gingen rijden.

Herinneringen aan een lange colonne vrachtwagens en terreinwagens, van die luxe waarvan hier wordt gezegd dat het schandalig is dat we erin rijden, wat een luxepaarden zijn wij toch, uren en uren en uren , was het twee of drie dagen? Stapvoets rijden achter de mijnenveger aan op weg naar een stad die bevrijd zou zijn. Uitstappen was eng, want buiten de breedte van de mijnenveger moet je niet komen. Dus als ik naar de wc moest (en ik ben ook maar een mens), plasje of poepje, kon ik of achter de auto gaan zitten zodat niet mijn eigen mensen me zagen maar wel die in de wagen achter ons, of voor onze auto. Ik koos altijd voor het eerste, en dat deed iedereen en daar had je het dus nooit over. Ik heb heel wat VIPs op de grond zien zitten poepen. En zij mij.

Wat was dat ook al weer voor een oorlog? In elk geval niet de mijne, en ik vroeg mezelf vaak af wat ik daar deed. Liever was ik bij mijn gezin, lekker spelen en knutselen met mijn drie Zoons. Maar ik had een baan ver weg in oorlogsland. Waar ik 150% van een goed salaris voor kreeg vanwege het hoge risico. Waarom deed ik dit?

Op zulke tochten werd me vaak uitgelegd hoe ingewikkeld die oorlog was. Ik begreep het nooit, en wilde het ook niet begrijpen. Het was in mijn ogen een onzinoorlog tussen twee volken die hetzelfde land deelden. Tussen twee mannen die allebei president wilden zijn. en die ene was het en die andere niet. Twee mannen, de ander (Savimbi) met tientallen vrouwen en nog veel meer kinderen, en de een, de echte president (Dos Santos), een van de rijkste mannen in Afrika. Onder andere omdat BP hem voor oliesuccessierechten elke dag een miljoen dollar toeschoof.

De ene, ‘onze’, kant had olie, de andere kant had goud en diamanten. Zoveel diamanten, dat een serveerster ergens in een restaurantje in een dorp ergens onderweg ver van de wereld me een zak liet zien die ze had meegenomen op haar tocht naar onze veilige kant. Dat zijn de enige zeker-echte diamanten die ik ooit in mijn leven heb gezien. Het moeten er tientallen geweest zijn, het was een jutezakje vol. Ze kon er niets mee, iedereen had diamanten zei ze.

Eieren niet, die had niemand meer, die werden geïmporteerd uit Namibië, tien uur rijden verderop, want de kippen waren opgegeten. Wilde dieren waren er ook niet meer, allemaal op. We leefden op mais, tomaten, uien en groene blaadjes die we manmoedig spinazie noemden. Rond het politiebureau lagen mijnen, want prikkeldraad was ook op. Ook telefoonpalen en elektriciteitspalen waren ommijnd. En overheidsgebouwen, waterkrachtcentrales, alles eigenlijk. Glas was er ook niet, huizen hadden geen ruiten meer, ook mijn kantoor de eerste maanden niet. Het luchtte lekker door.

Ongelimiteerd geld voor een gore oorlog. Maar normale dingen, niets. Alles was stuk, op, kapotgeschoten.

Zo nu en dan was er in de stad waar ik woonde met mijn gezin een razzia. Dan reed er een vrachtwagen door de armere wijken en die pakte alles op wat jong en mannelijk was en twee armen en benen had. De vrachtwagen recruteerde soms voor de ene, soms voor de andere kant. De opgepakten werden soldaat voor een van beide kanten en met hun leven was het gedaan. Ze kwamen terug na hun diensttijd van meen ik 12 jaar of als ze een been eraf hadden, dan werden ze bedelaar. Daarvan zaten er duizenden in het centrum op de grond. Een collega had inderdaad zijn hele diensttijd uitgezeten, maar had geen stoere verhalen daarover zoals oudere mannen hier. Lege ogen, traumas, verdriet.

Op een dag was de andere man, Savimbi dus, dood. De volgende dag lag er een staakt het vuren. Niets geen ingewikkelde oorlog, gewoon twee jaloerse mannen die een miljoen doden op hun geweten hebben.