Deel 9 alweer!

Mijn jarenlange verblijf in Afrika heeft mijn blik op eigen huis en tuin definitief veranderd. In Afrika zijn huis en tuin een bedrijf, een boerderij-in-het-klein, ook in de stad. Tuinplanten en kamerplanten zijn in principe eetbaar, kippen en konijnen leveren eieren en vlees, een hond bewaakt je spullen, een kat jaagt muizen weg. Veel stadse huizen in Afrika zijn vrij leeg: ze lijken wel wat op het woongedeelte van een ouderwetse Twentse boerderij: ruim, praktisch, tegels op de vloer, weinig dingetjes die alleen maar zijn om de sfeer te verhogen. Mensen hebben wel wat anders te doen dan nutteloze kamerplanten verzorgen en beeldjes af te stoffen. Ook in stadse tuinen zijn planten eetbaar of op andere manier nuttig. Behalve bij de huizen waar Europeanen wonen dan. Die dan vaak misprijzend kijken naar de tuinen van Afrikaanse families waar helemaal geen Engelse border te vinden is maar wel een veelheid aan stoelen, kippen en een stookplaats met oven.

Sindsdien zie ik mijn huis en tuin ook als een miniboerderij. In Afrika, maar ook hier in Nederland. Er hoort bij dat ik voor het zonnige raam in de voorkamer tomaten kweek, binnen ja. Dat ik een composthoop heb, ook al is mijn achtertuin acht bij zes meter. Dat verreweg de meeste planten in die tuin eetbaar zijn. In de plantenbak aan de voorkant (ik heb geen voortuin) groeit framboos en munt. Ook de meeste kamerplanten zijn eetbaar: citroengras, basilicum, peterselie. Waarom niet?

Maar het gaat niet alleen om voedsel. Er hoort ook bij dat ik weinig koop en weinig afval produceer, want mijn ideale miniboerderij is een gesloten systeem. Het liefst hergebruik ik alles.  Voor afval zoek ik het liefst een nieuwe functie, maar dat is hier in Nederland bijna niet te doen want er komt veelteveel mijn huis in dat ik misschien nog wel eens kan hergebruiken. Dus daar ben ik kritischer op geworden: ik moet het fijn vinden, er inspiratie van krijgen, het moet ‘spark joy’. Want ik heb al vier knopendozen, dus ik haal niet meer elke knoop af van een kapotte blouse. Die kan dan beter in zijn geheel weg. Want ik gebruik eigenlijk nooit een knoop.

Er hoort ook bij dat ik steeds minder dingen wil bezitten die niet nuttig zijn. De meeste boeken kunnen weg want die lees ik geen tweede keer. Ik wil geen verzameling olifantjes. Ik heb een verzameling vetplantjes die ik zelf heb opgekweekt uit afgevallen blaadjes: als ik in het tuincentrum een blaadje zie liggen neem ik het mee en plant het. De meeste groeien uit tot heuse miniplantjes, zo leuk! Maar volslagen nutteloos, hoewel het wel ‘spark joy’.

Er hoort ook bij dat ik zoveel mogelijk zelf maak. Dat moeten dan wel dingen zijn die nuttig zijn, in aantallen die we hier gebruiken. Ik maak de jam die we zelf opeten, that’s all. Ik brei de sokken die we zelf dragen. Ik haak afwassponsjes, twee per jaar is voldoende. Naaien, haken en breien is geen hobby, het hoort bij mijn huishouden. Wat me eraan herinnert dat ik vanmiddag een nieuw tasje moet maken want ik ben het vorige kwijtgeraakt. Dat tasje ga ik maken van een oude paraplu die ik al eens speciaal hiervoor van straat heb opgeraapt.

Ik ben ervan overtuigd geraakt dat deze manier van leven veel meer gewoon zou moeten worden. Dat veel Nederlanders te ver zijn afgeraakt van van het basale leven. Een mens heeft een huis nodig, kleding, voedsel, warmte, sokken en nog meer behoeften, en daar zorg je dus voor. Dat doe je met de mogelijkheden die je hebt, samen met je familie. Je familie, huis en tuin als bedrijf.

Je kunt natuurlijk geld verdienen en dan alles inkopen. En dan op de vensterbank geraniums zetten en varens in de tuin, terwijl je je voedsel bij de supermarkt koopt. Ik wil het anders: die varens komen pas in zicht als ik aan mijn basisbehoefte, voedsel dus, voldaan heb. Tja, het ideaal is ver weg. In mijn schaduwtuin groeien varens heel goed en rabarber doet het van geen meter.

In gesprekken met anderen, merk ik dat velen huis en tuin niet zien als ‘assets’ (wat is het Nederlandse woord hiervoor?). Hoogstens een moestuin, maar die is niet mooi dus verban je ergens ver weg of je huurt er een nog verder weg. Maar je huis, flat, balkon, tuin, kelder, schuur, zolder zien als plekken waar je gebruik van kunt maken, is onNederlands. In een koele kelder teel je Brussels lof en paddenstoelen. Voor een zonnig raam kweek je tomaten en pepers. Aardbeien doen het uitsteken in bakken waarin ook geraniums het uitstekend doen.

Ik kweek geen paddenstoelen in de kelder, ik heb wel wat anders te doen. Het leven is weerbarstig. Maar toch, het ideaal is mijn richtlijn en zit in mijn hoofd.