Vanmorgen zat ik om half zeven alweer op de fiets: de week vrij is voorbij. Die fietstocht is geen straf. Er ligt ochtendnevel over de uiterwaarden, en behalve ik is er niemand. Op een lantaarnpaal zit een buizerd. De eerste merel zingt zichzelf wakker.

Een bromfiets komt me tegemoet: het kan natuurlijk heel goed zijn dat de rijder te ver woont om te fietsen, niet kan fietsen, of een andere heel goede reden heeft om op zo’n lawaaiding te gaan zitten, maar het lijkt mij afgrijselijk. Juist die ochtendstilte is zo fijn.

Tja, nou even geen gepruts meer met telefoondraden en stukgewaaide paraplu’s en ander ontzettend nuttig afval. Ik moet nog wel verder met het schilderen van de plint in de eetkamer, want daarmee ben ik net halverwege. En ik moet mijn truitje afbreien. En ik moet van twee eenpersoonslakens een tweepersoonshoeslaken maken, want ik lag vannacht zowaar op een nat onderlaken.

En dat behoeft uitleg. Gisteren had ik mijn beddengoed gewassen, en dus had ik een ander onderlaken nodig. Ik heb alles uitgevouwen, maar kon geen enkel tweepersoonshoeslaken vinden. Ik begrijp niet hoe dat kan, en vermoed eigenlijk dat Zoon2 er eentje mee naar huis heeft genomen. Want het is niet zo dat het maanden geleden is dat ik mijn lakens waste, je gelooft me toch wel?  Of ligt er nog ergens een stapel schone was? In elk geval, het enige tweepersoonshoeslaken dat ik kon vinden zat in de wasmachine! ’s Avonds was tie natuurlijk nog niet droog, maar wel bijna, en dus heb ik die maar weer op mijn bed gelegd.

Op de grond in mijn slaapkamer ligt nu een slordige stapel half-uitgevouwen eenpersoonshoeslakens. Poes heeft er heerlijk op geslapen, gezien alle haren. En zo hobbelen we verder.