Wie dit blog langer volgt, weet dat ik aan het opruimen ben. Niet omdat ik omkom in de troep, maar omdat ik me vrijer wil voelen. Geen drempel wil zien voor het geval ik zou willen verhuizen. Niet dat ik wil verhuizen, maar ik wil ook niet tot mijn 90ste in mijn eentje in een groot huis wonen. Niet dat ik nu in mijn eentje woon, want Zoon3 woont hier en twee Huisgenoten. Maar toch maar toch, die spullen houden me vast, verhinderen me te springen.

Ik houd van hotels en vakantiehuisjes en airbnb-appartementen en B&B’s. Ik houd van die onpersoonlijke sfeer met een aquarel van een bloemstuk aan de muur, een lege kledingkast waar ik dan mijn ene jas en broek en jurk in hang en mijn ene paar schoenen in zet. Meestal pak ik daar al snel mijn ipad of laptop en ga lekker zitten aan het superonpersoonlijke tafeltje en loop vol ideeën. Of ik ga wandelen in de omgeving, lopen in een onbekende stad, met de metro naar een koffieplek en geniet.

En dan denk ik zo vaak: laat ik nou eens alles thuis wegdoen. Maar dat is zo gemakkelijk gezegd als je niet thuis bent. Eenmaal thuis heb ik er geen zin meer in en wikkel me in het comfort van het eigen huis. Dat wikkelt prima, maar levert geen inspiratie op, wel rust en ontspanning.

Toch ben ik al een heel eind opgeschoten. Van een vol huis met zeven slaapkamers die allemaal in gebruik waren, is dit huis opgeschoond tot een appartement voor mij beneden plus slaapkamer boven, een kamer voor Zoon3, drie logeerkamers en twee kamers voor Huisgenoten. In die logeerkamers staan steeds minder spullen van mij. Het worden al bijna onpersoonlijke B&B-kamers met een bed, tafeltje, stoel, kast en schilderij aan de muur.

Ik ben een heel eind, maar ben er nog niet helemaal. De minst gebruikte logeerkamer is nog een beetje een rommelhok. Daar zit een vliering boven en daarop ligt een zespersoonstent, twee accordeons, een gitaar, een oude naaimachine, een platenspeler, koffers en tassen, mijn kerstboom en drie of vier dozen met spullen van Zoon1 die in Berlijn woont, in die kamer staat een boekenkast met de oude kinderboeken en met een volledige serie ‘Handwerken zonder Grenzen” (hebben? kom maar halen). Er liggen nog twee violen en misschien wel tien blokfluiten. Er staan de koffers met herinneringen van mijn Zoons.

En nou vraagt een van de Huisgenoten of hij niet die kamer erbij kan gebruiken. Dat moet kunnen, eigenlijk moet ik daar niet moeilijk over doen. Want over tien jaar wil ik misschien nog wel steeds hier wonen, maar dan met twee leeftijdgenoten. Dat moet met een beetje goede wil kunnen, ieder een verdieping. Er zitten drie keukenblokken in dit huis, twee wc’s, slechts een badkamer helaas. Dan moet die kamer ook leeg dus.

Ik wil dat al mijn spullen in mijn appartement beneden passen, plus kelder, schuur en mijn slaapkamer. Absoluut geen rommelzolder. Mijn kampeerspullen moeten gewoon in mijn slaapkamer. Op die blokfluiten speel ik nooit, ik hoef geen twee naaimachines, ook geen zespersoonstent die ik zelf niet eens kan optillen, de accordeons gebruik ik ook niet. Alleen voor de koffers met jeugdherinneringen van mijn zoons moet ik echt een plek zoeken, maar de rest kan weg. Niet weg in de kliko, maar verkocht, weggegeven, hergebruikt. Denk ik, en ik begin.

Het kan het kan, maar voorlopig loop ik me dus suf te sjouwen met troep en loopt mijn eetkamer vol. En dan blijkt het leuke: daar staat op een boekenkast een kist met bubbeltjesplastic, en dat gebruik ik helemaal nooit, dan heb ik liever daar mijn accordeon. De blokfluiten heb ik eigenlijk liever om me heen dan dat oude wijnkistje met twee flessen wijn van de makelaar die natuurlijk niet meer te zuipen is. Die tweede accordeon is zo mooi, die zet ik liever op een kast dan dat stomme ding wat er nu staat en wat er alleen maar staat omdat er plek was.

Zal ik de twee violen aan de muur hangen? De blokfluiten ook? Ik krijg er zin in.