Sinds ik dwarsliggers lees, heb ik altijd een boek bij me. Altijd. Dat boek zit immers in een speciaal vakje in mijn tas en die tas heb ik altijd bij me.

Ik merk dat ik steeds meer momenten vind om te lezen. Bij de bushalte, in de bus, op het station, in de trein, in een café wachtend op koffie, buiten op een bankje. Telkens pak ik mijn boek, en verdrijf de wachttijd met lezen. Vaak zijn het korte momentjes, maar het zijn er wel vele per dag.

Ik merk dat doordat ik vele keren per dag een klein stukje lees, het verhaal de hele dag bij me blijft. Voorheen las ik een thriller in een middag en een avond uit, en dat was het dan, dan kon ik weer verder met mijn eigen leven en was de thriller verleden tijd. Nu lees ik vijf, zes keer per dag een stukje en stop dan weer.

Ik ben nu bezig met ‘Een klein leven’ van Hanya Yanagihara. Een pil van 1400 bladzijden (volgens mij is dat in een ‘normaal’ boek dan ongeveer de helft) vol emotie. Ik ben er al twee weken mee bezig, en al die tijd zit ik ondergedompeld in het verhaal. Steeds weer heb ik een cliffhanger op de verkeerde plek, steeds weer spanning zonder ontlading omdat ik niet kan doorlezen waar het wel zou moeten. Het lezen wordt er intenser door, het verhaal laat me niet los. Ik kom zelfs momenten uit het boek in mijn eigen leven tegen.

Tussen het lezen door leef ik uiteraard mijn eigen leven. Ik leef ineens twee levens door elkaar. Een dubbelleven.

Advertenties